De bijbel en de vreemdeling Met dank aan de vreemdeling Verantwoording van een vreemdeling? Welkom in Nederland vreemdeling
Linken voor de vreemdeling

Israels omgang met vreemdelingen

seminar van drs. Gijs van den Brink, 2006

  1. Woordgebruik
  2. De Israëlieten als vreemdelingen in Kanaän en Egypte
  3. Israël en de houding tegenover verwante volken
  4. Israël en de Kanaänieten: de ban
  5. De vreemdelingen in Israëls wetgeving
  6. Gespreksvragen

1. Woordgebruik

Een Ger is iemand die lange tijd verblijf houdt in een bepaald gebied, ongeveer ons begrip ‘immigrant’. Vaak gelijk aan tôsab ‘bijwoner’ (Gen.23:4; Lev.25:35). De rondreizende buitenlander, bijvoorbeeld een koopman, wordt aangeduid met nokrî.

2. De Israëlieten als vreemdelingen in Kanaän en Egypte

  • Aartsvaders in Kanaän: ‘het land van uw vreemdelingschappen’ (Gen.17:8). Schatrijke mannen, die internationaal handel dreven en behoorden tot bovenlaag van de maatschappij. Abram beschikt over een leger van 318 man (Gen.14:14), bezit minstens 10 kamelen (24:10), koopt een graf voor 400 sikkels, maar toch moet hij met de stadsraad onderhandelen i.p.v. alleen met de eigenaar, omdat hij geen onroerend goed in volle eigendom kan bezitten etc.; Isaak ‘zeer rijk’ (Gen.26:13); begrafenis van Jakob (Gen.50:7-11).
  • Israëlieten in Egypte als vreemdelingen (Gen.12:10; vgl. Ex.22:21). Hier was het een onderdrukte minderheid. In de wetgeving aangehaald: ‘U zult ook de vreemdeling geen overlast doen, noch hem onderdrukken, want u bent vreemdelingen geweest in Egypte’ (Ex.22:21).

3. Israël en de houding tegenover verwante volken

  • Bloedband: Abrams neef Lot is de stamvader van de Moabieten en Ammonieten (Gen.19:30-38); Abrams oudste zoon bij Hagar is Ismaël en Ketura, bijvrouw van Abram, heeft Midjan als meest bekende zoon, stamvader van Midjanieten (Gen.25:1-3). Nakomelingen van hen kunnen met een latere term ‘Arabieren’ genoemd worden (1Kon.10:15; 2Kr.17:11), al vallen zij daar niet mee samen. Esau, zoon van Isaak, wordt stamvader van de Edomieten.
    Israel mag de Edomieten, Moabieten en Ammonieten niet vijandig bejegenen bij de inname van Kanaan (Deut.2:4-5, 9, 19). De Amorieten waarmee geen familierelatie is mogen wel aangevallen worden (Deut.2:24-3:8).
  • Gedrag: Naast de bloedband is ook het gedrag van een volk een factor die telt: Moab en Ammon mogen tot in 10e geslacht niet in de gemeente komen, omdat ze Israel niet hebben geholpen en omdat ze Bileam hebben ingehuurd om Israel te vervloeken (Deut.23:4vv). En Egyptenaren (geen bloedband) bv worden ook op hun gedrag beoordeeld (Deut.23:8-9).

4. Israël en de Kanaänieten: de ban

Toewijzing van Kanaan. Het land wordt aan de oorspronklijke bewoners ontnomen, omdat de maat van hun ongerechtigheid vol is (Gen.15:16). Goddelijk oordeel over ongerechtigheid (oordeel te vgl. met zondvloed of de ballingschap, vgl. Rom.1:18-32). Nakomelingen van Abraham ontvangen het land als genadegave, niet als rechthebbende! Voor de uitvoer van het oordeel wordt hier Israel gebruikt, zoals bv de Chaldeeën om Israel te straffen t.t.v. Habakuk. Dit oordeel was eenmalig! Geen sprake van een opdracht om de heidense ongelovige wereld uit te roeien!

5. De vreemdelingen in Israëls wetgeving

In vergelijking met de wetgeving van de buurvolken, valt het op dat de vreemdelingen ongekend vaak genoemd worden in de verbondsbepalingen van Israël.

  • Economie: deel van de oogst voor armen en vreemdelingen (Lev.19:9-10; 23:22; Deut.24:19-22); tienden eens per 3 jaar voor vreemdelingen e.a. armen (Deut.14:28-29; 26:12).
  • Rechtspraak: algemene regel is dat de vreemdeling op dezelfde manier berecht wordt als de geboren Israëliet (Lev.24:17-22). Vrijsteden ook bestemd voor vreemdelingen (Num.35:15; Joz.20:9).
  • Seksuele ethiek: Lev.18: verhoudingen tussen geslachten gelden ook voor vreemdelingen; zij mogen niet meedoen met de gewoonten van de Kanaänieten (vs.26).
  • Cultus: vreemdeling moet sabbat houden (Ex.20:10; Deut.5:14), mag delen in de vreugde van de drie grote feesten (Deut.16:11,14); mogen offers brengen: offerwetgeving geldt ook voor de vreemdelingen (Num.15:14-16). De eredienst van de God van Israël staat voor een groot deel open voor de vreemdelingen.

Grondhouding: gelijke behandeling: Lev.19: ‘Als een onder u geboren Israëliet zal de vreemdeling, die bij u verblijft, voor u gelden’. Zelfs: ‘U zult hem liefhebben als uzelf’ (vs.33-35). ‘Daarom zult u de vreemdeling liefde bewijzen, want u bent zelf vreemdelingen geweest in het land Egypte’ (Deut 10:18-19).
Conclusie: personen van andere volkeren en culturen worden niet als barbaren gezien of een minderwaardig soort mensen, maar als medeschepselen van God

Lijnen vanuit het NT: o.a. Matt.25:35,38,43,45; 1Petr.1:17; 2:11

6. Gespreksvragen

  1. Kunnen de oudtestamentische gegevens een op een overgezet worden op onze situatie? Waarom wel/niet.
  2. Wat is het verschil tussen de oudtestamentische gemeente en de nieuwtestamentische m.b.t de omgang met vreemdelingen. En wat is de overeenkomst?
  3. Noem een aantal voorbeelden hoe wij als christenen de OT-ische gegevens over het omgaan met vreemdelingen kunnen toepassen. Werpt het licht op het omgaan met migranten/immigranten? Hoe? En op het vluchtelingenvraagstuk? Hoe?
  4. Benoem een aantal structurele verschillen tussen de maatschappij van het oude Israel en de Nederlandse. Zijn er theologische redenen die een verschil rechtvaardigen? Zo ja, welke?

Met toestemming van het Centrum voor Bijbelonderzoek in Veenendaal, www.studiebijbel.nl overgenomen.

Foto´s van Nederland
Boeken over de vreemdeling Gein?
Coach de vreemdeling De reis van de vreemdeling KinderAdoptiePlan Nederland Vreemd eten?