Dagdromen

De tuin ziet er uit als een kleine bouwplaats. Bergen zand, stapels bakstenen en andere bouwmaterialen. Ook is er net genoeg ruimte om er langs te lopen. Door de aanbouw, met een afmeting van twee bij drie meter, wordt de keuken twee keer zo groot. ´s Avonds en in het weekend ben ik aan het bouwen. Het is zaterdagmorgen en ik overdenk de werkzaamheden die ik nog moet doen en bedenk de materialen ik daarvoor nodig heb. En zonder dat ik er erg in heb, ben ik in gedachten op weg naar de bouwmaterialenhandel even voorbij het kerkgebouw.

Terwijl ik langs de kerk loop zie ik allerlei mensen naar binnen gaan. Verbaasd vraag ik me af wat die mensen daar op zaterdagmorgen zoeken. Ik stop en kijk wat er aan de hand is. Wat me opvalt is dat al die mensen een last meedragen, net zoals ‘christen’ uit het boek van Bunyan. Ik herken de mensen niet die naar binnen lopen. De gebogen en soms ook verdrietige mensen hebben totaal geen aandacht voor mij, net of ze me niet zien staan.

Nieuwsgierig geworden loop ik met deze mensen mee naar binnen. We komen in de kerkzaal. Alle zitplaatsen zijn weggehaald en de mensen liggen geknield, huilend en biddend op de grond. De mensen zitten in groepjes van twee bij elkaar. De één huilend, zoekend naar hulp om die zware last te dragen. De ander zit erbij als hulp om te luisteren. Mijn aandacht wordt getrokken naar één van de helpers. Ze luistert uiterlijk vol medeleven naar de ander, maar tegelijkertijd kijkt ze verwachtingsvol en ook hulpeloos naar de muren van het kerkgebouw. Wat wil ze toch van die muren, vraag ik me af.

Onderzoekend kijk ik naar de muren. In de grijswitte muren ontdek ik vage gestalten. Nee, de hele muur bestaat uit gestalten. Het zijn eigenlijk geen muren, zie ik. Het zijn allemaal mensen, die, naast elkaar staan en samen het dak omhoog houden. Dat is mooi, bedenk ik. Dat zijn de bidders en ze maken ruimte voor al die mensen die met hun lasten komen. Een gebouw met muren van bidders en een dak van gebed, zó hoort het!

Ik loop naar de muur toe en vertel aan één van de bidders hoe belangrijk ik hun werk en gebed vind. Dat ze samen een beschermende muur maken en dat hun gebeden een beschermend dak vormen voor al die naar rust zoekende mensen.

Het verbaasde gezicht van de bidder zie ik nog voor me. Denk je dat wij het dak dragen, zegt hij. Kijk maar eens goed naar al die bidders, zo sterk zijn ze niet. Ze kunnen amper hun eigen lasten dragen, laat staan een dak om de boosheid van de wereld buiten te houden.

Een beetje beschaamd kijk ik nog eens goed naar al die bidders. Die ene bidder heeft gelijk, nu zie ik het ook. Uiterlijk staan die bidders vol overtuiging het dak te dragen, alsof het hun taak is. Maar innerlijk kijken ze verwachtingsvol en ook hulpeloos naar het dak van het gebouw. En terwijl ik omhoog kijk, komt er een diep ontzag over me. Vol respect kijk ik naar het dak. De handen van de bidders grijpen zich vast aan het dak dat lijkt op een grote hand. Nee, nu zie ik het pas goed. Die grote hand houdt al die kleine handen van de bidders vast. Daarom kunnen die bidders hun handen omhoog houden.

Maar die hand, die hand ken ik! Die hand beschermt mij dagelijks.

Langzaam doe ik mijn armen omhoog en de grote hand grijpt ook mijn omhooggestoken handen vast.
Verwachtingsvol en ook hulpeloos kijk ik omhoog.


- Welkom
- Feuilleton 1643
- Gedichten
- Korte verhalen
- De schat van de Kooger Kaper
- Op zoek naar de Kooger Kaper
- Fotowerk
- Contact
www.benikinbeeld.com © 2003 - heden