3. De derde

Een enorme ravage is nu het beeld van de anders zo gezellig ingerichte kamer. Alle kastdeuren staan open en de inhoud ervan ligt verspreid over de vloer. Hevig geschrokken kijk ik de kamer rond. De tv, de video en andere apparaten staan nog op hun plaats. Ook de enveloppe met buitenlands geld ligt nog op de tafel. Wat de inbrekers ook gezocht hebben, het ging niet om geld of elektrische apparaten. Dan valt mijn oog op het hoekje waar ik de spullen over de Kooger Kaper bewaar. De map, waarin ik het dagboekje van Maartje Teeuwen, de eerste bijbel en de kopieën van het dagboek van Jacob Klompenmaker bewaar, is verdwenen.
Op de plaats van de map ligt nu een klein briefje.
"Ik ga zelf wel op zoek naar de schat van de Kooger Kaper, u doet er veel te lang over!".
Het briefje is ondertekend met de initialen "K.S."

Na een speurtocht door alle kamers van het huis kom ik tot de conclusie dat alleen de spullen van de Kooger Kaper zijn verdwenen. Eigenlijk voel ik me wel opgelucht dat iemand anders op zoek gaat naar die schat. En boos ben ik ook, waarom heeft die K.S. niet gewoon om die spullen gevraagd? Hij had ze zo van mij gekregen. Maar nee hoor, inbreken en pakken wat je nodig hebt! En dan die troep! Terwijl ik zo loop te brommen ruim ik de ergste rommel op.

Die avond bespreken mijn vrouw en ik de inbraak in ons huis en het verdwijnen van de spullen van de Kooger Kaper. Omdat er verder niets is verdwenen uit ons huis besluiten we onze vakantie niet uit te stellen.
Morgen gaan we op vakantie.

Het weerbericht voorspelt echter niet veel goeds. Een harde zuidwester storm en veel regen. Een beetje mopperend over de slechte vooruitzichten voor de komende week sta ik in de badkamer. Ik heb me zo verheugd op deze vakantie. Als het morgenochtend nou maar een beetje droog is. Dan moet ik de koffers op de auto laden. Waarom zit het nou zo tegen? Ik loop naar de slaapkamer en kniel voor mijn bed, voor het avondgebed.

"Nou, Heer, dat heeft U weer keurig geregeld." En terwijl ik dat zeg voel ik mijn boosheid zakken. Zo praat je toch niet tegen de Koning van de Wereld, zeg ik tegen mezelf. "Neem me niet kwalijk Heer, dat ik zo boos doe. Ik heb me zo verheugd op deze vakantie. Lekker wandelen langs de Engelse kust. Maar ja, met zo'n storm kan ik dat de eerste week wel vergeten." Terwijl ik zo in gedachte met de Here Jezus praat, voel ik zijn rust en worden mijn gedachten en gevoelens ook kalmer. "Misschien kunnen we onze plannen wel aanpassen en dan lopen we wat meer door de bossen wat verder van de kust af in plaats van langs de kust. Alleen morgenochtend wat droog weer, daar zou ik wel blij mee zijn, Heer. Amen."

Ik kruip diep onder de dekens en doe het nachtlampje uit. Het lijkt wel of de wind steeds harder gaat waaien. De struik bij het raam beneden krast piepend tegen het glas. De bomen even verderop staan te kreunen in de wind. Langzaam zak ik weg in een diepe slaap.

Èù-èù-èù-èù-èù, èù-èù-èù-èù-èù, langzaam dringt het tot me door.
De wekker.
Half slapend kijk ik naar de rode cijfers op de display van de wekker.
"5:10", staat er.
Door de gordijnen schemert het eerste ochtendlicht. Slaapdronken loop ik naar de badkamer. Een snelle niet te warme douche maakt me klaarwakker. Ik kleed me aan en ga naar beneden. Alles staat al klaar. De imperiaal, de koffers en het zeildoek. Een paar keer lopen en dan staat alles bij de auto.
Eerst de imperiaal op de auto monteren. Terwijl ik de bouten vastdraai kijk af en toe naar de loodgrijze ochtendlucht. Het verbaast me dat het nog droog is. Dan leg ik het zeil met ene helft op de imperiaal en de andere helft op de voorkant van de auto. Af en toe voel ik een druppel regen.
Voordat ik aan de koffers begin kijk ik op mijn horloge. Half zes, precies op schema. Vijf minuten later kan ik het zeil over de koffers plaatsen. Ik vouw het zeil netjes om de koffers heen zodat ze tijdens een regenbui niet nat kunnen worden. Er komen nu meer druppels water uit de lucht vallen en het begint ook harder te waaien. Gehaast begin ik met een kunststof touw de koffers en het zeil vast te binden aan de imperiaal. Bij elke knoop die ik in het touw maak gaat het harder regenen. Na de laatste knoop controleer ik of het touw overal goed vast zit. De koffers liggen droog onder het zeil. Maar ik ben tot op mijn huid nat geregend en het water staat zelfs in mijn schoenen.
Druipend van het water kom ik de keuken binnen.
De hele familie staat daar. Eerst verbaasd, dan gierend van het lachen. Ik kleed me uit en gooi mijn natte plunje in de droger.
Voor de tweede keer die dag wrijf ik me droog met een handdoek. Even later sta ik met droge kleren in de keuken. Van mijn vrouw krijg ik een warm kopje thee. In haar ogen en in die van de kinderen zie ik nog de pretlichtjes van het lachen.
Het belooft een leuke vakantie te worden.


- Welkom
- Feuilleton 1643
- Gedichten
- Korte verhalen
- De schat van de Kooger Kaper
- Op zoek naar de Kooger Kaper
- Fotowerk
- Contact
www.benikinbeeld.com © 2003 - heden