6 De walvisjager

“Keb nog een vraeg”, zegt Siem met zijn zangerige zaans, “Werom zee die kerel ‘ketters’ teuge jollie?”
Lucas kijkt even schichtig naar zijn zusjes Anne en Mary. Anne knikt geruststellend en zegt: “We kunnen deze schippers wel vertrouwen.”
Dan vertelt de jongen over hun ouders. Moeder komt van een doopsgezinde familie uit Westzaan. Vader was een koopman en rooms-katholiek. Op één van zijn koopmansreizen wordt hij verliefd op onze moeder en onze moeder op hem. Na vele gesprekken stemde onze grootouders in met hun huwelijk. Vader noemde zichzelf sympathisant van de protestant.
Er is nooit een wanklank geweest tussen onze ouders over het geloof, of over wat dan ook.
In het dorp waar we woonden was iedereen katholiek. Onze vader werd daar zeer gewaardeerd en ook getolereerd, omdat hij een eerlijk koopman was. Hij stak zijn sympathie voor de doopsgezinden niet onder stoelen of banken. Daarom noemde ze hem ketter. En nu noemen ze ons ook zo. Lucas zucht, met tranen in zijn ogen.
Terwijl ze zaten te praten is de wind aangewakkerd en wat gedraaid naar het westen. De wind jaagt de golven steeds hoger op en met schuimkoppen rollen ze over het IJ. De veerschuit schiet voortuit over de golven.
In de verte ziet Arie de masten van zeeschepen bewegen op de deining van de golven.
Arie herkent de masten van de walvisvaarder en koerst er op aan. Aan de loefzijde, uit de wind, legt hij de veerschuit langszij. Siem haalt de zeilen in.
“Kan ie skipper?” klinkt het van boven. Arie knikt. De lading komt snel naar beneden. In het net liggen in zeil verpakte harpoenen en andere ijzeren voorwerpen. Het onstuimige water geeft veel deining en Siem spant zich tot het uiterste in om in de twee naast elkaar liggende schepen van elkaar te houden. Lucas en de twee meisjes helpen Arie bij het lossen. Al snel is de vracht geladen. In het laatste net dat naar beneden komt zitten de twee mannen die vervoer naar Koog aan de Zaan krijgen. Ze springen behendig uit het net in de veerschuit.
“Arie, neef van me, ben jij teugenswoordig skipper?” zegt één van de mannen. Verbaast en met groeiende blijdschap kijkt Arie de jonge man aan. “Ome Willem”, stamelt Arie. Willem, de jonge broer van zijn moeder, is als scheepstimmerman en heeft meer dan een half jaar op zee gevaren. Arie is er beduusd en stil van.
“Arie”, zegt zijn oom, “kan je een grote sloep meenemen op sleeptouw?” Arie knikt. Zijn oom geeft een teken omhoog naar de mannen op de Walvisvaarder. In de takel hangt een grote sloep, een Groenlandse jol. Behendig pakken de twee mannen de jol beet en leggen die met touw vast naast de veerschuit.
Siem hijst de zeilen en de veerschuit verwijdert zich langzaam van de grote Walvisvaarder.
Alle gebeurtenissen van die dag spoken Arie door het hoofd. Maar dan krijgt de wind vat op de zeilen en heeft hij al zijn aandacht nodig om de veerschuit, met sleep, op de goede koers te krijgen. Al snel zit de vaart in de schuit en ze laveren tegen de wind naar de sluizen van Zaandam.


- Welkom
- Feuilleton 1643
- Gedichten
- Korte verhalen
- De schat van de Kooger Kaper
- Op zoek naar de Kooger Kaper
- Fotowerk
- Contact
www.benikinbeeld.com © 2003 - heden