5 - Gejaag op het IJ

De veerschuit drijft langzaam weg van de kade. De wind krijgt vat op de zeilen en de schuit krijgt steeds meer vaart.
De mannen van de nieuw aangekomen groep roepen boos naar Arie, dat hij moet terugkeren. Maar daar heeft Arie geen zin in en blijft op koers. Vanwege de noordenwind maakt hij eerst een steek naar het westen, voordat hij koers naar het oosten maakt. Op de kade is het nog steeds rumoerig. Arie ziet twee van de schreeuwende mannen in een vissersjol springen, waarin een visser bezig is met schoonmaakwerk. Ze wijzen de visser op de veerschuit. Die visser schudt zijn hoofd. Een van de mannen pakt hem ruw beet en duwt hem bijna overboord. Een beetje overdonderd door het geweld gooit de visser zijn jol los en hijst de zeilen.
Arie schat dat hij zo’n 330 voet (100 meter*) voorsprong heeft, maar de kleine jol komt snel dichterbij. Een van de mannen staat voor in de jol met een werpanker in zijn handen. De zwaardere veerschuit wint nu ook aan snelheid, maar de snellere jol nadert steeds meer. Als de vissersjol op 30 voet (9 meter*) afstand is, gaat de man met het anker zwaaien. Het is een reuze zwaai en het anker komt met een luide knal in de veerschuit. De kinderen gillen van schrik. De man trekt het touw strak en begint met een triomfantelijk gezicht het touw in te halen. Al snel is de afstand tussen de beide schepen iets meer dan een manslengte.
“Ik heb jullie, vuile ketters”, schreeuwt de man.
Op dat moment klinkt er een luide bijlslag. Siem heeft de ijsbijl gepakt en deze klieft nu het touw. De man, die stevig aan het touw trekt, verliest zijn evenwicht en valt overboord. De visser grijnst en draait zijn jol, met een ruime bocht, om de drenkeling te kunnen opvissen.
“Snel, laveren Arie”, schreeuwt Siem.
Arie duwt aan het roer en ze gaan overstag. Even is de vaart uit de schuit, maar dan krijgt de wind weer vat op de zeilen. Al snel laten ze de vissersjol en Spaarnedam ver achter zich. De jongen en de meisje zitten rillend schrik en kou bij elkaar.
“Siem, pak jij een paar dekens”, zegt Arie. Siem pakt de dekens en Arie wenkt de kinderen om bij hem te komen zitten, vlak bij het roer.
Terwijl de schuit door de ruige golven klieft, vertelt de jongen hun verhaal.
Ik heet Lucas en dit zijn mijn zusters, Anne en Mary. We komen uit een kleine plaats ten zuiden van Antwerpen. Onze ouders zijn kort na elkaar overleden. De voogd wilde mijn zusters uithuwelijken om een deel van de erfenis in bezit te krijgen. Maar op een dag kwam de koopman langs. Hij is een neef van onze moeder. Met zijn hulp hebben we onze bezittingen verkocht en zijn met hem meegegaan naar Haarlem. Die twee mannen, die de vissersjol kaapten, krijgen een beloning als ze ons terugbrengen. We zijn op weg naar Zaandijk. Daar woont een zuster van onze moeder. We hopen dat jullie ons helpen om daar te komen.
Arie en Siem zijn diep onder de indruk van het verhaal.
“Mijn grootvader helpt wel zoeken”, zegt Arie, “Maar eerst gaan we nog een vrachtje ophalen bij een walvisvaarder.”
Ze varen langs de zuidpunt van het eiland De Hoorn.
Nog even, dan zijn ze bij de Oostzaner Overtoom.
*) Een voet is ongeveer 30 cm.

- Welkom
- Feuilleton 1643
- Gedichten
- Korte verhalen
- De schat van de Kooger Kaper
- Op zoek naar de Kooger Kaper
- Fotowerk
- Contact
www.benikinbeeld.com © 2003 - heden