6. Een donkere nacht

Het is bijna donker en er hangt een lichte mist over de Zaan. Er komt een kleine sloep uit het haventje bij het Ruyterveer. De twee mannen in die sloep zijn de oude Siebersma en zijn knecht. Ondanks de dikke deken om zijn schouders rilt Siebersma van de kou. De knecht van Siebersma roeit en heeft het niet koud. Het is een sterke man. Daarom schiet de sloep snel door het water. Een uur later is het pikkedonker en komen ze op de plaats van bestemming aan. Met moeite kunnen ze, in het duister, de juiste plaats vinden om aan te leggen. De knecht springt aan land en maakt de sloep vast met een stevig touw. Hij helpt Siebersma, die stijf is van de kou, uit de sloep. Daarna pakt hij zijn gereedschap en een lamp. Ze zijn op het achtererf van het oude huis van Evenblij. Het huis ligt er verlaten bij.
Terwijl Siebersma op de uitkijk staat, breekt de knecht de achterdeur open en gaat naar binnen. Hij steekt zijn olielamp aan en begint met zijn zoektocht. Eerst gaat hij naar de zolder van het grote huis. Hij kijkt in alle hoeken en kieren. Hij maakt ook alle kasten open en bekijkt ze zorgvuldig. Daarna zoekt hij de andere ruimten van het huis door.
Tevergeefs.
Er is niets in het huis te vinden. Evenblij heeft alles opgeruimd voordat hij op reis ging. De laatste ruimte waar de knecht zoekt is de hal. Plotseling blijft hij staan. Daar in een hoekje, naast de voordeur, ziet hij iets vreemds. Hij zet de olielamp op de grond en pakt iets op. Het voelt nat en zacht aan. Heel voorzichtig ruikt hij aan die natte, zachte kluit in zijn handen.
"Modder, aarde, hoe komt dat daar?" vraagt de knecht zich af.
Opeens weet hij wat hij vasthoudt en hoe het daar is gekomen. Het is natte aarde. Hier hebben die kistjes gestaan. Het verhaal van die kwajongen klopt.
Zijn maatje is ons voor geweest!
Vloekend gooit hij de kluit aarde weer op de grond.
Te laat! We zijn te laat! We zijn voor niets gekomen. Zijn baas zal woedend zijn. Hij voelt de haat voor die jongens in zijn hart gloeien. Zo kan hij zijn beloning wel vergeten.

Terwijl de knecht het huis doorzoekt, loopt Siebersma over het erf. Hij is nog koud en stijf van de boottocht over de Zaan. En ook het wachten duurt hem te lang. Wat blijft die knecht toch lang weg.
Opeens hoort hij geluiden bij de voordeur.
Hij blijft stokstijf staan. Vanuit zijn plekje in het donker ziet hij twee kinderen. Ze sjouwen elk met een kistje. Ze lopen naar het huis even verderop en gaan naar binnen. Dan durft Siebersma uit zijn schuilplaats te komen. Hij stikt haast in zijn woede. Dat is het huis van die Teeuwen, dat is net zo'n lastpak als die Klompenmaker.
Al die opwinding en woede worden hem te veel. Zijn hart gaat heftig te keer. Op zijn borst voelt hij een stekende pijn. Hij kan haast geen adem meer halen. Dan wordt alles donker om hem heen.

Langzaam komt Siebersma bij. Als in een droom hoort hij de lieve stem van zijn moeder. En hij hoort nog meer stemmen. Wanneer hij wakker wordt uit zijn droom, ligt hij in zijn eigen bed. Het gezicht van een vrouw kijkt hem aan. Het duurt even, maar dan herkend hij in het gezicht van de vrouw zijn eigen dochter.
"Je leeft nog," zegt ze. "Je knecht heeft je gevonden op straat en naar huis gebracht. De dokter zegt dat je rust moet houden. Ik blijf hier voorlopig om voor je te zorgen."
Ze heeft een kom geurende drank in haar handen. "Ik heb wat warme bouillon voor je," zegt ze. Met haar stevige handen ondersteund ze zijn hoofd zodat hij een slok kan nemen van de warme drank. De warmte trekt door zijn hele lichaam. Siebersma voelt zijn krachten weer terug komen. Hij kan nu ook weer om zich heen kijken. Naast zijn dochter zijn ook zijn twee zoons aanwezig.
Hij stamelt wat onsamenhangende woorden. "Wat zeg je pa?" vraagt één van zijn zoons. De jonge man buigt zich over zijn vader heen. Maar Siebersma geeft geen antwoord. De zoon schrikt. "Hij is toch niet .... ?" Maar dan hoort hij de diepe en rustige ademhaling van zijn vader. "Hij slaapt," zegt hij tegen zijn broer en zus.

Siebersma slaapt een gat in de dag. Het is al tegen twaalf uur als hij wakker wordt. "Er is bezoek voor je pa," zegt zijn dochter. Achter zijn dochter staat een man. Siebersma kijkt haar een beetje slaperig en dromerig aan. "Het is de knecht, die je gisteren heeft thuis gebracht." Ze praat nogal hard en nadrukkelijk, net of Siebersma een klein kind is. Dan gaat ze de kamer uit.
Opeens kijkt Siebersma weer sluw. "Vertel op," zegt hij tegen de knecht, "wat is er gisteren gebeurd".
De knecht vertelt dat hij Siebersma liggend in de tuin had gevonden, meer dood dan levend.
"En heb je nog iets in het huis gevonden," vraagt hij ongeduldig.
Triest schudt de knecht zijn hoofd. "Nee," zegt hij, "er lag alleen een kluit natte aarde bij de voordeur. "We waren net te laat".
"Nee," zegt Siebersma, "jij was te laat, maar ik heb gezien waar de kistjes naar toe gingen. En jij," en hij wijst naar zijn knecht, "jij gaat die kistjes vannacht zoeken! In het huis van Teeuwen. Er zitten bijbels in. Ik wil die harde voorkanten van die bijbels hebben en het linnen zakje. De rest mogen ze houden, die is voor 'ons' niet belangrijk."

De knecht schrikt. "Inbreken in een leeg huis dat durf ik wel," denkt hij, "maar in een huis waar mensen wonen?" Siebersma ziet de twijfel in de ogen van zijn knecht.
"Als ik de schat in mijn bezit heb, krijg je van mij een heel maandloon als beloning." biedt Siebersma aan.
Maar de knecht is nog niet overtuigd en hij zegt: "Baas, hoe weet ik nou waar ze die kistjes hebben verstopt?"
En weer begint Siebersma te fluisteren, net als gisteravond. En weer hangt er een nare sfeer in de kamer waar die twee hun plannen bespreken. Dan staat de knecht op. "Je weet wat je moet doen?" vraagt Siebersma.
De knecht knikt en zegt: "Morgen heb je je schat baas."


- Welkom
- Feuilleton 1643
- Gedichten
- Korte verhalen
- De schat van de Kooger Kaper
- Op zoek naar de Kooger Kaper
- Fotowerk
- Contact
www.benikinbeeld.com © 2003 - heden