5. Onverwacht bericht

"Pap, er is een mijnheer voor je aan de telefoon," roept één van mijn kinderen naar boven. Slaapdronken stommel ik de trap af naar de woonkamer. "Wie belt er nou zo vroeg op de zaterdagmorgen," mopper ik een beetje, "Het is pas acht uur."
"Met Harmen Meijer," zeg ik tegen de telefoon.
"Met Siebersma," klink het uit de telefoon.
"Met Siebersma?"
"Maar dat kan toch niet!"
"Die naam heb ik zelf verzonnen, ik slaap zeker nog," zeg ik half mompelend tegen de telefoon.
"Mijnheer Meijer, ik heb niet veel tijd, maar ik wil u vanmiddag ontmoeten," zegt de stem van Siebersma. "Ik stel voor, om half één, in het restaurant van V&D in Zaandam. Schikt u dat?"
"Jaja, jjjaja," stotter ik een beetje.
"Tot vanmiddag dan," zegt de stem. De verbinding wordt verbroken. Ik sta nog een hele tijd verbaasd naar de telefoon te staren. Langzaam dringt het tot mij door. Iemand met dezelfde naam als die nare persoon in mijn verhaal. Zou hij kwaad zijn? Hij klonk zo kortaf. Of zou het een grap zijn?

Ik heb al mijn boodschappen zo snel gedaan als ik kon. Om twaalf uur loop ik het restaurant van V&D binnen. Ik bestel een kopje soep en ga aan een leeg tafeltje zitten. Terwijl ik van de soep eet kijk ik steeds om mij heen. Ik heb geen idee hoe die Siebersma van de telefoon er uit ziet. Zou hij weten hoe ik er uit zie?

Opeens komt er een man met kordate pas op mij af.
"Bent u Harmen Meijer?" vraagt de man.
"Ja, dat klopt," zeg ik.
"Mijn naam is Kees Siebersma," zegt de man.
Zonder iets te zeggen, kijken we elkaar een kort ogenblik aan. "U kijkt verbaasd," zegt de man, "maar ik heb niet veel tijd en ik moet u veel vertellen."
"Onze familie, de familie Siebersma, heeft de schandvlek van vroeger altijd geheim weten te houden. Hoe u iets van deze geschiedenis af weet is ons een raadsel. Wij hebben bij ons onderzoek het dagboekje over het hoofd gezien."
"U niet. Goed speurwerk."
"Heeft u de schat trouwens al gevonden? Maar dat doet er niet toe. Wij, de familie Siebersma, vinden dat u recht heeft op onze kant van het verhaal. Het is heel anders dan u denkt, en wij zijn zelf ook niet trots op onze over-over-over-grootvader. Siebersma was een door en door slechte man. Wij begrijpen niet hoe hij in de kerkenraad is gekomen. Maar hij misbruikte zijn positie als kerkvoogd om vals geld in omloop te brengen."
"Maar laat ik bij het begin beginnen."
Bijna ademloos luister ik naar het verhaal dat de man vertelt.

Zoals altijd hangt er in de halfdonkere kamer een sombere stilte. Op één na zijn de gordijnen dichtgeschoven. Siebersma zit in zijn leunstoel voor een half gesloten raam. Hij kan net op de straat kijken zonder dat ze hem vanaf de straat kunnen zien. Hij zit somber voor zich uit te peinzen.
Het was en is een goed plan. Niemand heeft er iets van gemerkt. Maar dat Klompenmaker zo fanatiek zou worden over die oude boeken, daar had hij niet op gerekend. Zijn handeltje met de Engelsen moest hij dan maar een poosje uitstellen. Jammer, hij kon dat geld best gebruiken. Maar de kistjes moeten wel terug. Anders moet ik helemaal opnieuw beginnen.
Opeens wordt zijn aandacht getrokken naar het bruggetje bij de Heeregracht. Twee van die kwajongens, de oudste zoon van Klompenmaker en dat stiekeme vriendje van hem.
Ze zijn druk in gesprek. "Waar zouden ze het over hebben," vraagt Siebersma zich af. "Zeker over die verdwenen kanselbijbel. Ja ja, dat maakte heel wat tongen los." Dan lopen de jongens over de brug. Siebersma begint weer te dagdromen over zijn plannen. Hij ziet niet dat zijn knecht het huis uit komt en de jongens nakijkt.
Hij wordt opgeschrikt door gestommel in het achterhuis.
"Volluk," klinkt het vanaf de achterdeur. De knecht komt binnen. Hij heeft een sluwe grijns op zijn gezicht. Hij begint meteen te praten. "Baas," zegt hij, "wat ik nu gehoord heb. Ik denk dat ik weet waar de kistjes zijn."
Op het gezicht van Siebersma verschijnt een grijns van ongeloof en nieuwsgierig zegt hij, "Vertel me wat je weet."
En dan vertelt de sluwe knecht wat hij heeft gehoord.
"Het neefje van Evenblij heeft gisternacht die kistjes opgegraven. Ze staan nu op de zolder van het huis van Evenblij. En die jongen van Klompenmaker moet dat aan zijn maatje vertellen. De rest kon ik niet verstaan, want toen liepen ze de brug over."
Dan blijft het even stil.
Siebersma denkt na.
"Dat is mooie informatie die zijn knecht heeft gehoord," denkt hij bij zichzelf.
"We moeten snel handelen," zegt hij tegen zijn knecht. "We gaan die kistjes ophalen, vanavond, als het donker is." Fluisterend, alsof iemand zou kunnen meeluisteren, vertelt Siebersma wat hij van plan is. De knecht luistert aandachtig naar zijn baas. Af en toe knikt hij. Als Siebersma zijn plannetje heeft uitgelegd, staat de knecht op. Hij zegt: "Ik haal mijn gereedschap op, en kom terug als het bijna donker is."
Dan gaat de knecht weg.

Er blijft een broeierige sfeer achter in de woonkamer van Siebersma. De stilte wordt alleen verbroken door een deur die dichtvalt. Dat was de knecht van Siebersma die net naar buiten gaat. Hij loopt over het bruggetje naar de Heeregracht. Bij het bruggetje staat Jacob, diep in gedachten.
"Hé, schatgraver, schrik je van mij, heb je slechte gedachten," zegt de knecht. Hij ziet de schrik op het gezicht van de jongen. De knecht lacht, loopt verder en gaat zijn huis binnen.


- Welkom
- Feuilleton 1643
- Gedichten
- Korte verhalen
- De schat van de Kooger Kaper
- Op zoek naar de Kooger Kaper
- Fotowerk
- Contact
www.benikinbeeld.com © 2003 - heden