4. Het bezoek

Het is heel gezellig in de huiskamer bij de familie Klompenmaker. Moeder heeft een heerlijk maal gekookt. Het is het afscheidsmaal voor Evenblij en zijn neef Thijs. Vanavond of eigenlijk aan het eind van de middag gaan ze naar Amsterdam. Daar ligt een schip klaar dat naar Zuid-Afrika vaart. De weinige bagage is gisteren al naar het schip gebracht. De ouders van Thijs en de vrouw van Evenblij zijn al een half jaar eerder naar Zuid-Afrika gegaan om een huis te zoeken. Evenblij heeft in die tijd al zijn zaken geregeld. Omdat hij het zo druk heeft, is Thijs heel vaak bij Klompenmaker thuis. Jacob en Thijs zijn dikke vrienden geworden.
Na de maaltijd praten ze met zijn allen nog wat na. Eerst gaat het gesprek over het nieuwe vaderland voor Thijs en zijn oom. Daarna gaat het gesprek over vroeger. Klompenmaker en Evenblij vertellen over de streken die ze vroeger als kind hebben uitgehaald. De jongens genieten van deze verhalen.

Dan gaan de mannen naar het achtererf om samen een pijpje te roken. Moeder wil dat roken niet binnen hebben.
Jacob en Thijs gaan ook naar buiten, de straat op. Ze lopen de steeg in naast het huis. Je kan niet op het achtererf kijken want er staat een hoge schutting om het erf. Terwijl ze langs de schutting lopen, klinkt aan de andere kant een mannenstem. "...... ......... ......... kistjes opgraven 's nachts," horen Thijs en Jacob. Stom verbaasd blijven ze staan en horen hun vader en oom praten. "Voor dat geld willen ze wapens en munitie kopen." "Ja, die schat levert heel wat geld op," zegt de andere stem. "Hoelang laten we de kistjes in de grond zitten?" "Eerst moet het wat rustiger worden. Dat kan nog wel even duren. Een paar maanden duurt het zeker. Dan graaf ik die kistjes op, samen met Teeuwen. Maak je maar geen zorgen, trouwens, dan zit jij al lang in Zuid-Afrika." Het gesprek gaat verder over de lange reis die Evenblij gaat maken.

Jacob wenkt naar Thijs en ze sluipen zachtjes de steeg uit. Ze lopen in de richting van de Westzijde. Bij de brug over de wegsloot durven ze weer te praten.
"Maartje heeft gelijk," zegt Jacob.
"Ik ook," denkt Thijs. Maar dat zijn oom en de vaders van Jacob en Maartje dieven zijn, kapers misschien wel. Dat heeft hij nooit geloofd.
"Ze kunnen die kistjes niet opgraven," zegt Thijs opeens, "Dat heb ik al gedaan."
Jacob kijkt Thijs met open mond aan. Hij weet dat Thijs veel lef heeft, maar dat hij zoiets durft.
De jongens zijn vol van wat ze net hebben gehoord. Ze staan vlak bij het eerste huis van de Heeregracht. De deur van dat huis staat half open. Uit de donkere hal achter de deur gluren twee sluwe ogen naar buiten. De jongens hebben niet in de gaten dat er iemand meeluistert.
Thijs gaat verder met zijn verhaal: "Ik heb ze op zolder gezet. Ik was net op tijd klaar, en toen kwam mijn oom thuis. Ik wilde ze nog open maken, maar dat is niet gelukt. Je moet het ook aan Maartje vertellen, met een brief of zo. In die brief moet je schrijven, waar ik die kistjes heb verstopt."

De man achter de half open deur spitst zijn oren.
"Dat moet je aan je maatje vertellen," is het laatste dat hij verstaat.
Al pratend lopen de jongens over de brug en gaan de Westzijde op in de richting van de Dam. De man komt naar buiten en kijkt de jongens na.
Hij gaat ook over het bruggetje naar de Westzijde. Hij kijkt nog eens naar de jongens. Ze zijn druk met elkaar in gesprek en merken niet dat de man hen nakijkt.
Dan draait hij zich om en loopt naar het huis van Siebersma. Hij is blij dat hij het gesprek van de jongens heeft gehoord. Dat gaat hij aan Siebersma vertellen. Siebersma is een gierige ouwe vrek, maar voor zo'n verhaal over die jongen van Klompenmaker, daar krijgt ie misschien wel een paar centen voor.

Jacob en Thijs lopen een paar keer de Westzijde op en neer. Dat doen wel meer mensen als wandeling op de zondag. Dan gaan ze terug naar huis. Als ze terug komen is het ook meteen tijd om afscheid te nemen. De hele familie loopt mee naar de Westzijde om Thijs en zijn oom uit te zwaaien. De jongens kijken elkaar aan met de tranen in de ogen. Ze zullen elkaar missen. "Ik zal schrijven," zegt Jacob, "dat beloof ik." Ook Klompenmaker en zijn vrouw hebben vochtige ogen. Zelfs Evenblij weet even niet wat hij moet zeggen, het afscheid valt hem zwaar.

Vader, moeder en de twee jongste jongens lopen alweer terug naar huis. Jacob staat nog bij het bruggetje. Hij overdenkt de gebeurtenissen van de afgelopen week. Hij is diep in gedachten en schrikt daarom van de man die komt aanlopen. Het is de buurman van het eerste huis. "Hé, schatgraver, schrik je van mij, heb je slechte gedachten?" Gemeen lachend loopt de man verder en gaat zijn huis binnen.
Jacob is bleek van schrik. "Dat is die valse knecht van Siebersma. Die is niet te vertrouwen," denkt Jacob. "Wat zou die man gehoord hebben?"
Met lood in zijn schoenen loopt Jacob naar huis.
Diezelfde avond schrijft hij de brief aan Maartje en vertelt daarin alles wat hij die dag heeft meegemaakt.

Eindigen hier dan de belevenissen van Maartje, Thijs en Jacob?
Er zijn nog zoveel vragen waar geen antwoord op is. Wat zit er in die kistjes? Heeft Maartje die kistjes op de zolder van het oude huis van Evenblij gevonden?


- Welkom
- Feuilleton 1643
- Gedichten
- Korte verhalen
- De schat van de Kooger Kaper
- Op zoek naar de Kooger Kaper
- Fotowerk
- Contact
www.benikinbeeld.com © 2003 - heden