3. De kerk op stelten

Tot zover geeft het dagboekje van Maartje alleen maar vragen over de kistjes die in de tuin begraven liggen. Hoe lang geleden dit alles heeft plaats gevonden is niet precies te zeggen. Maartje heeft geen datum of jaartal opgeschreven. We kunnen dus alleen maar een schatting maken door de belevenissen van Maartje en Thijs te vergelijken met de geschiedenis.
De enige tijd die daarvoor in aanmerking komt is de periode dat Willem V stadhouder was van Holland en andere provincies. Een periode dat er schutters waren, een soort burgerlegertje. Dat was rond het jaar 1800.
Dat is dus een lange tijd geleden. Niemand weet of de kistjes er nog liggen. Bij het graafwerk voor de nieuwe kerk heeft niemand iets gevonden dat op een oud kistje lijkt. Er staat ook in het dagboekje niets over het opgraven van de kistjes geschreven.

Een beetje moedeloos blader ik nog eens door het dagboekje.
Opeens valt mijn oog op de achterkaft van het boekje. Er is iets ingeplakt. Met een mesje snij ik de plakrand los. Een opgevouwen stuk papier, een kaart misschien? Heel voorzichtig vouw ik het oude stuk papier open. Het is een brief. Een brief van Jacob Klompenmaker aan Maartje Teeuwen. Ik begin te lezen en naarmate ik verder lees begrijp ik steeds meer van de twee begraven kistjes.
Jacob begint de brief met een gebeurtenis op de zondag die volgt op het begraven van de kistjes.

Het orgel in de Oostzijderkerk laat zijn laatste klanken horen. De kerk gaat uit en de mensen zijn druk met elkaar in gesprek. Het zijn opgewonden stemmen die met elkaar praten. Wie zou dat gedaan hebben? Dat iemand een bijbel durft te stelen, de kanselbijbel van de kerk nog wel. Al pratend met elkaar verlaten de mensen de Oostzijderkerk. Een deel van hen loopt om de kerk heen, naar de Oostzijde en de Zuiddijk. Een ander deel loopt over de sluis en de Dam naar de Westzijde.

Daar gaat ook Klompenmaker en zijn gezin. Zijn drie zoons lopen voorop en bespreken de diefstal van de bijbel. Opeens draait de jongste zich om en trekt aan de arm van zijn vader.
"Aaaau, au, au, voorzichtig jongen, mijn arm, dat doet zeer. Denk een beetje aan je ouwe vader. Ik heb de afgelopen week mijn arm gestoten en als je zo hard aan mijn arm trekt doet dat pijn," zegt Klompenmaker tegen zijn zoon. De tranen schieten in zijn ogen, zo fel is de pijn die door zijn hele lichaam trekt. "Het spijt me pap, ik was het even vergeten. Maar ik wil zo graag weten waarom iemand een bijbel pikt," zegt de jongen. Door de pijnlijke trek op het gezicht van Klompenmaker zie je een vertederende glimlach te voorschijn komen. Recht door zee is die jongen, dat ziet hij graag. "Luister jongens, ik denk dat het zo zit," zegt hij terwijl ze weer verder lopen.
De andere twee zoons van Klompenmaker spitsen hun oren. Als pa antwoord geeft, dan zegt hij dat maar één keer, en deze keer willen ze daar niets van missen. Maar voordat hij zijn zoons antwoord kan geven komt plotseling Siebersma naast hen lopen. Gemeen lachend begint hij te praten. "Dat is niet zo mooi Klompenmaker," zegt hij op een valse toon, "De kanselbijbel is verdwenen en jij maakte stiekem in het donker een tochtje op de Zaan. Ja, ik heb het wel gezien hoor. Als de mensen dat te weten komen. Heel verdacht hoor, heel verdacht." De jongens kijken verbijsterd naar hun vader. Hun vader in een boot en dan in het donker nog wel? Net als de fantasie van de jongens tot leven komt, zegt hun vader: "Dat is een valse beschuldiging Siebersma. Ik zou die bijbel nooit uit de kerk kunnen halen. Jij weet wie het gedaan heeft. Iemand met een sleutel van de kerk. En er zijn maar drie mensen met een sleutel, en daar ben jij er één van! Arme werkers zoals wij krijgen die sleutel nooit in handen. Dat weet je net zo goed als ik." Siebersma's gezicht wordt bleek van schrik. "Die Klompenmaker denkt mij te slim af te zijn, maar ik krijg hem nog wel."
Siebersma draait zich om en loopt terug naar de kerk.
Klompenmaker, zijn vrouw en zijn zoons lopen verder naar huis. De gezichten van de jongens staan vol vragen.
"Thuis praten we er verder over, jongens," zegt Klompenmaker. "We krijgen straks visite, dus we moeten op tijd thuis zijn."

Jacob, de oudste zoon van Klompenmaker, loopt in gedachten achter de rest van de familie aan. Hij denk aan wat Maartje en Thijs hem de afgelopen week vertelden. Hij heeft Maartje nog uitgelachen. Ze heeft die nacht de stem van zijn vader gehoord, beweert ze. En nu dit! Zal ik het aan vader vertellen?
"Pap, waarom maakt Siebersma nou zo vaak ruzie met jou?".
De gedachten van Jacob worden onderbroken door een vraag van zijn jongste broertje. Inwendig is hij wel trots op die jongen, die durft ook alles te vragen. Opletten wat vader daarop antwoord.
"Siebersma denkt anders over bijbellezen dan ik, jongen. Ik vind dat iedereen moet leren lezen. En dan kan ook iedereen in de bijbel lezen. En als je in de bijbel leest, dan leer je een heleboel over God en geloven. En dan kunnen de mensen elkaar vertellen wat ze geleerd en ontdekt hebben. Maar Siebersma wil niet dat iedereen leert lezen, zegt hij. Hij is bang dat er dan te veel mensen komen die de bijbel op hun eigen manier gaan uitleggen. Ze zouden dan alleen maar ruzie gaan maken over het geloof.

Al pratend komen ze thuis. De visite staat al te wachten. Het is Evenblij, een vriend van Klompenmaker, samen met zijn neefje Thijs.


- Welkom
- Feuilleton 1643
- Gedichten
- Korte verhalen
- De schat van de Kooger Kaper
- Op zoek naar de Kooger Kaper
- Fotowerk
- Contact
www.benikinbeeld.com © 2003 - heden