2. Vreemde vragen

In het huis naast de Vermaning staat ouwe Siebersma voor het raam te kijken. Hij was wakker geworden van een nare droom en had Klompenmaker gezien. De ouwe Siebersma was achter hem aan geslopen en had Klompenmaker in de sloep zien wegvaren.
"Wat heeft die man, die nu op het smalle bruggetje loopt, op de Zaan uitgespookt?" vraagt Siebersma zich af. Hij heeft een klein vermoeden. "Maar eerst moet ik zekerheid hebben. En als ik het goed heb dan kan ik eindelijk wraak nemen op die Klompenmaker. Ik zal hem wel krijgen, dat zogenaamde schijnheilige mannetje. Mij tegenspreken en voor gek zetten bij de hele kerkenraad. Hoe durft ie! Oppassen dat ik niet overhaastig plannen maak, anders gaat alles mis. Maar ik zal hem wel krijgen. Stiekem 's nachts varen op de Zaan. Wel meer dan drie uur is hij weggebleven. Maar ik kom er wel achter."
Zijn van haat gloeiende ogen glinsteren bij het kleine beetje maanlicht dat door een open stuk van de wolken schijnt. Dan gaat hij pratend in zichzelf weg van het raam. Het blijft verder stil op straat. Alles is in diepe rust. Net of er niets is gebeurd die nacht.

Bij de Papepadsluis is het ook stil. Ook het uitstappen van de twee mannen gaat zonder problemen. Ze maken geen enkel geluid en lopen snel het Noordereind op, terug naar Koog aan de Zaan. Zwijgend gaan ze naast elkaar op die donkere weg. Gelukkig schijnt de maan een klein beetje tussen de wolken door. Zonder door iemand te worden gezien komen ze aan op het Zuideinde. Fluisterend wensen ze elkaar een goeie nacht en lopen naar hun eigen woning.

Als Evenblij, zo heet één van de mannen, naar binnen stapt hoort hij boven gestommel. Snel gaat hij naar boven, naar de kamer van zijn neef Thijs. In het maanlicht, dat door het raam naar binnen schijnt, ziet hij het bed van de jongen met daarnaast een lege stoel. 's Nachts liggen de kleren van Thijs op die stoel. Evenblij loopt naar het bed. Zo te zien ligt Thijs vast te slapen. "Met zijn kleren aan in bed, wat zou hij uitgespookt hebben?" denkt hij. "Eigenlijk kan ik die jongen niet alleen laten." Hij gaat naar zijn eigen kamer, trekt zijn nachtgoed aan en stapt met een zucht in bed. 's Avonds gaat hij niet graag op stap, nu Thijs bij hem logeert, maar vanavond ging het niet anders. De kisten moesten begraven worden, anders zou alles fout gaan. Vermoeid van de boottocht en de avondwandeling valt hij snel in slaap.

De volgende morgen, heel vroeg, wordt Maartje ruw wakker geschud door haar vader. "Wakker worden Maartje, je gaat vandaag samen met je moeder naar de markt om inkopen te doen," zegt hij. "Weet je nog?" Maartje dacht niet meer aan wat er die nacht was gebeurd. Ze staat snel op, kleedt zich aan en gaat naar beneden. "Eet maar vlug je ontbijt op, dan kunnen we op pad," zegt moeder.

Het is een zware dag. Ze moeten alles lopend doen en alle inkopen zelf dragen. Het is ook onrustig op de markt. De mensen praten druk met elkaar. Ze hoort ze praten over oranje, over de schutters en revolutie en patriotten. Maartje begrijpt er niet veel van. 's Avonds na de maaltijd valt ze uitgeput op bed in slaap. Ze heeft een rare droom.
Haar vader vaart op een schip en is een kaperhoofdman. Hij heeft schatten geroofd op zee en begraaft die in de achtertuin bij de Zaan. Precies tussen de twee bomen. Maar er zijn ook soldaten van de vijand en die komen haar vader ophalen. Hij wordt ruw meegesleurd door de soldaten. "We zullen je op de pijnbank wel laten praten en dan maken we je een kopje kleiner."
Gillend van angst word ze wakker.
Haar moeder komt in haar kamer. "Heb je naar gedroomd?" "Rustig maar," zegt ze. "Ik blijf wel even bij je zitten."

De volgende dag weet Maartje niet meer wat ze gedroomd heeft en wat er echt gebeurd is. Na het ontbijt gaat ze naar buiten en loopt naar de tuin van de buren. Daar kijkt ze naar de plaats waar de mannen de kistjes hebben begraven. Opeens staat Thijs, het neefje van haar buurman, voor haar neus en hij kijkt heel geheimzinnig. Hij heeft een geheim. Heel geheimzinnig fluisterend vertelt hij het verhaal. Van de drie mannen, de twee kistjes en de twee bomen. "Ik lag in bed te wachten tot mijn oom thuis zou komen. Toen hoorde ik een vreemd geluid. Ik ging bij het raam kijken. Achter ons huis zag ik in het maanlicht een boot met mannen aan wal komen. Snel heb ik mij aangekleed. Ik klom uit het raam om te gaan kijken. Ik zag mannen graven in de achter...."
Plotseling staat daar de oom van Thijs. "Hier kwajongen, je hebt vandaag huisarrest en dat betekent binnen blijven. Laat ik het niet nog een keer merken, want dan komt er nog een dag bij." "En jij moet niet zo nieuwsgierig zijn, anders gebeuren er nog ongelukken," zegt hij tegen Maartje. En weg zijn ze.
"Het is dus toch waar," denkt Maartje en ze gaat naar huis. Op haar kamer ligt een dagboek. "Ik schrijf het op in mijn dagboek, dan kan ik er later nog eens van lezen. Nu weet ik wat er die nacht gebeurd is!"


- Welkom
- Feuilleton 1643
- Gedichten
- Korte verhalen
- De schat van de Kooger Kaper
- Op zoek naar de Kooger Kaper
- Fotowerk
- Contact
www.benikinbeeld.com © 2003 - heden