naar aanleiding van het festival Midzomerzaan, 27 juni
Rivier als een spiegel, zo donker en glad.
Dat vuilgroene lint door het hart van de stad.
Getemd en gegraven glimlacht ze stil,
met houten beschoeiing en ijzeren wil.
De keizers zien komen en czaren zien gaan.
Drie ouwe ottertjes en Hendrik Haan.
De schepen gedragen, de balken geduwd.
Vervuild en geslagen, gestut en gestuwd.
Kalverliefde op haar oevers –
een rustige rivier
die hooguit even rimpelt als
handgeschept papier.
Gebogen de bruggen, de wanden wat sleets.
Maar mooi met haar molens, zo pront als bij Beets.
Rivier die niet eindigt en ook nooit begon.
Gezocht door de vogels, gekust door de zon.
Kalverliefde op haar oevers –
een rustige rivier
die hooguit even rimpelt als
handgeschept papier.