| Ben ik in beeld? | Pelikaan | Natuur | Langs de Zaan | Bouwen | Gratis website? |
| De Kooger Kaper | Deel 1: De schat van ... | Deel 2: Op zoek naar ... | Gedichten | Korte verhalen | Feuilleton
 

Arie Claesens in 1643

door Harmen Meijer

 
   

 

Het begin

Deel 1
Deel 2
Deel 3

 
De schat van de Kooger Kaper
Arie Claesens, september 1643
 

Deel 1 - Walvisvaart

Er staat een stevige noordwester. De 12-jarige Arie Claesens zet de kraag van zijn overjas hoger en drukt zijn muts steviger op zijn hoofd. Nog een paar vaten met tweeback en dan is de veerschuit van zijn vader vol. Samen sjorren ze de lading goed vast en gooien er een paar buiskleden over. De lading mag niet nat worden. De tweemaal gebakken tarwekoeken zijn hard en lang houdbaar, maar als er vocht bij komt gaan ze na een paar dagen schimmelen. Droog bewaren dat is belangrijk.
Nog voor de zon opkomt, steken ze van wal. Ze gaan naar Oostzaner overtoom aan het IJ. Ze varen via de ringvaart van de Enge en Wijde Wormer en daarna over de Braaksloot via de Zaan naar het IJ.
De wind staat vol in de zeilen en het buiswater spat over de boeg van de volgeladen schuit.
Halverwege de morgen varen ze het IJ op. Daar liggen grote schepen. “Kijk daar eens Arie”, zegt zijn vader, “daar ligt een walvisvaarder. Hij heeft op walvissen gejaagd op de Straat Davis bij Groenland. Daar gaan we straks vaten spek laden”. Zijn vader legt de schuit langszij een van de koopvaarders, die daar ook voor anker liggen. De vaten met twee-back worden gelost. Vanuit de koopvaarder komt een groot net aan touwen naar beneden. Er kunnen vier vaten in. Na het lossen, varen ze naar de Walvisvaarder.
Ze liggen nog maar net langszij en daar worden de eerst vaten spek al naar beneden getakeld. Snel lossen ze het net en rollen de vaten op hun plek. Om de vaten hangt een lucht van bedorven vis. En bij elke lading vaten wordt die lucht sterker. Als laatste worden er twee walvisbotten op de schuit getakeld. De vaten en de botten sjorren ze goed vast en leggen de buiskleden erover. Nu heeft Arie even tijd om naar de Walvisvaarder te kijken. Op de boeg van het schip zitten diepe groeven. Zijn vader ziet ze ook en zegt: “Die heeft een best aanvaring met het ijs gehad.”
Boven hen, vanaf de walvisvaarder klinkt een stem. Het is de bootsman. “Schipper, kom je morgenmiddag weer langszij? Voor twee Koger matrozen en een lading gereedschap voor het vleetheus op de Koog.” Zijn vader schreeuwt terug dat het goed is. “Tot morgen”.
Terwijl ze wegvaren van de Walvisvaarder krijgt hij van zijn vader een homp brood, een stuk kaas en een beker bier.
“We gaan terug over de Poel en het Zwet”, zegt zijn vader, dan hebben we op het Zwet de wind mee.
De zwaar beladen schuit laveert zwoegend door de golven op het IJ en de Zaan. Af en toe komt er een flinke guts water over de boeg. Dan mag Arie het water uit de schuit hozen met een oude klomp.
Na de Poelsluis varen ze weer voor de wind.
Bij de traankokerij in Jisp lossen ze de vaten en de botten. Na het lossen, neemt Arie, samen met zijn vader, een kijkje in de houten schuur. De lucht om en in de traankokerij is bijna niet te harden.
In de schuur staan drie koperen ketels. Onder de eerst brand een groot vuur.
“Dat is om de traan uit de stukken vet en spek te koken in water. Dan scheppen we de traan in de andere bakken met water en kan de drab eruit zakken. Als de traan helder is en afgekoeld, stoppen we het in die vaten daar”, zegt de voorman van de traankokerij tegen Arie.
“Morgen brengen we die vaten naar Spaarnedam”, zegt zijn vader, “en nu gaan we op huis aan”.

© 2017