| Ben ik in beeld? | Pelikaan | Natuur | Langs de Zaan | Bouwen | Gratis website? |
| De Kooger Kaper | Deel 1: De schat van ... | Deel 2: Op zoek naar ... | Gedichten | Korte verhalen | Feuilleton
 

Korte verhalen

van Harmen Meijer

 
   

Een wandelende rookkolom

Dagdromen

Ziekenbezoek

Leven als een pelikaan?

Mager zesje
wordt vette 10

Vliegende storm

Hongerwinter

 
De schat van de Kooger Kaper
De wandelende rookkolom
 

Iemand stopte met roken, en dat doet me denken aan mijn ontmoeting, een paar weken geleden, met één van de rokende tieners die de NJI jeugdsoos in Koog aan de Zaan bezoekt.

Het was het begin van de vrijdagavond. Hij kwam net van buiten en had daar in de kou een sigaretje staan roken. Terwijl hij naast me staat bij de kapstok en zijn jas uittrekt komt de prikkelende rooklucht van zware shag in mijn neus.
"Wat stink jij naar de rook," zegt een andere tiener die ook vlak bij staat. Er worden over en weer wat woorden gewisseld en er onstaat een plagerige sfeer, die steeds minder vriendelijk wordt.
De rokende tiener voelt zich aangevallen.
Dan doe ik ook een duit in het zakje.
"Die rooklucht doet me denken aan een bijbelverhaal", zeg ik. De tieners kijken me enigzins verbaasd aan. De rokende tiener doet een halve pas naar achteren om een beetje uit mijn buurt te komen en neemt een verdedigende
houding aan.
"Het doet me denken", zeg ik, "aan de uitocht van de Israëlieten uit Egypte.
God was ´s nacht aanwezig als een vuurkolom en overdag als een rookkolom.
Jij doet me er dus aan denken hoe God mensen helpt."
De rokende tiener ontdooid uit zijn verdedigende houding. Zijn ogen beginnen te glanzen en met een beginnende glimlach zegt ie: "Ik heb je dus geïnspireerd, hè?"
"Ja", zeg ik, "de rookwolk om je heen doet me denken aan God."
De plagerige en ruzieachtige sfeer is weg.
De rokende tiener straalt voorzichtig. Waarschijnlijk is dit de eerste keer dat iemand iets aardigs zegt over zijn rookgedrag.

Op het einde van de avond kom ik hem weer tegen. Aan zijn houding zie ik dat hij zich geaccepteerd weet, hij kijkt mij met een open blik aan en zijn verdedigende houding is weg.
Met een paar vrienden stapt hij op de fiets om naar huis te gaan, terwijl ik de deuren van de kerk op slot doe.
Ik loop naar huis en besef dat ik een plekje in zijn hart heb gewonnen.
Nu bid ik dat Jezus daar ook een plekje zal krijgen.
Ik ben vol vertrouwen, want als ik dat kan, dan kan Jezus dat zeker.