| Ben ik in beeld? | Pelikaan | Natuur | Langs de Zaan | Bouwen | Gratis website? |
| De Kooger Kaper | Deel 1: De schat van ... | Deel 2: Op zoek naar ... | Gedichten | Korte verhalen | Feuilleton
 

De schat van de Kooger Kaper
door Harmen Meijer

 
   

Deel 1

hfst.1

hfst.2

hfst.3

hfst.4

hfst.5

hfst.6

hfst.7

hfst.8

verklaring

verantwoording

 
De schat van de Kooger Kaper
1. Een geheimzinnige nacht

Ze gaan beginnen met bouwen. De twee grote wilgen achter de kerk aan het Zuideinde van Koog aan de Zaan moeten verdwijnen om plaats te maken voor de uitbouw van de kerk. Iedereen is nieuwsgierig wat er tevoorschijn zal komen als de bomen weg zijn en er een gat wordt gegraven voor de fundering van de kerk.
Waarom is iedereen zo benieuwd dat zelfs de radio en de tv er aandacht aan besteden? Op de zolder van het oude huis naast de kerk is een dagboekje gevonden waarin een paar geheimzinnige gebeurtenissen staan beschreven.

Kijk, het begon zo.
Op een zolder, de zolder van het oude huis dat naast de kerk staat, is een dagboekje gevonden. Het is een heel oud dagboekje. Tweehonderd jaar geleden woonde hier een meisje, Maartje Teeuwen genaamd. Dat meisje heeft iets heel bijzonders in haar dagboekje geschreven. Op een nacht wordt zij wakker van een vreemd geluid. Achter het huis van de buren, langs de Zaan, meert een sloep aan, een groot soort roeiboot. Er zitten drie mannen in de sloep. Eén van de mannen stapt op de wallenkant en houdt de boot vast. De twee andere mannen dragen een paar kisten de kant op. Maartje sluipt haar kamer uit, gaat de trap af en sluipt door de keuken naar buiten. Om de mannen goed te kunnen zien zoekt ze naar een kier in de schutting. Door die kier tussen de planken van de schutting kan zij zien wat er gebeurd. Twee van de mannen zijn bezig een gat te graven, tussen twee kleine boompjes, die achter de schutting staan vlak bij het water. "Dit kistje is voor het weeshuis en dit kistje is voor de kerk," hoort Maartje een man tegen de twee gravende mannen zeggen. "Als de strijd voorbij is dan kunnen wij die kisten weer opgraven en dan hebben de mensen er weer iets aan. Deze schat komt niet in handen van de vijand."
Maartje schrikt van de stem, die stem heeft ze eerder gehoord. Waar was dat ook al weer. Ze kan het zich niet herinneren.
De mannen gaan door met hun geheimzinnige werk in het bijna donker. De kisten worden elk in een kuil gezet en de kuilen worden dicht gegooid. De mannen stappen weer geruisloos in hun sloep en varen weg de Zaan op in de richting van Zaandam.
Maartje is stijf geworden van de kou en de spanning. In het donker gaat zij terug naar haar huis. Heel zachtjes, om haar ouders niet te wekken. Bibberend van de kou stapt ze weer in haar bed. De vragen die door haar gedachten spelen houden haar wakker. Wie zijn die geheimzinnige mannen? Wat zit er in die kistjes? En waarom worden die kistjes hier zo geheimzinnig begraven? En van wie is die geheimzinnige stem? Waar heeft ze die stem eerder gehoord? Na veel gepieker krijgt ze het weer een beetje warm en valt ze in slaap.

Het is donker en stil. Heel voorzichtig worden de riemen van de sloep in het water gestoken. De roeier haalt de riemen zachtjes door het water en haalt ze dan weer op uit het water zonder ook maar enig geluid te maken. Het water klotst zachtjes tegen de sloep. De drie mannen in de boot zeggen niets. Ze weten dat elk geluid dat ze maken hen zal verraden. Alles moet zonder geluid, want niemand mag iets weten van hun nachtelijke tocht. Langzaam varen ze over de Zaan in de richting van de sluizen. Aan de westzijde van de Zaan, vlak bij het Papepad, bij de stenen sluis, legt de sloep aan. Snel stappen twee van de drie mannen uit en verdwijnen in de duisternis.

De sloep steekt weer van wal en vaart verder zuidwaarts. In de haven van het Ruyterveer legt de sloep aan. Klompenmaker, zo heet de roeier, haalt heel voorzichtig de roeispanen binnenboord en maakt de sloep vast aan de aanlegsteiger en stapt uit. Op dat moment blijft hij met zijn arm haken aan een roestig stuk ijzer. De mouw van zijn jas scheurt, het metaal dringt door de mouw van zijn jas in zijn arm. Een felle pijnscheut gaat er door zijn arm. Met moeite weet hij een kreet van pijn te onderdrukken. Met een vertrokken gezicht van pijn loopt hij over de steiger. Hij let niet goed op en verstapt zich op de ongelijke planken. Even blijft hij stil staan. Zijn hart slaat in zijn keel. Door de inspanning van het roeien en van de schrik bij het uitstappen.
Na enige momenten is hij weer tot rust gekomen en vervolgt zijn weg naar de Westzijde. Daar aangekomen gaat hij rechtsaf. Hij loopt langs de Doopsgezinde Vermaning en gaat via een smal bruggetje de wegsloot van de Westzijde over naar de Heeregracht en verdwijnt in de duisternis van de nacht.