| Door een hongersnood kwam Jacob met zijn gezin en heel zijn bezit
in Egypte wonen. Jozef, de oudste zoon van Jacob en Rebekka, was toen
onderkoning van Egypte. Genesis 37-48. Maar de tijden veranderden. Eerst
is de familie van Jacob (later Israël genoemd) vriend en gast van
de Farao. Maar 430 jaar later is er een andere Farao die de nakomelingen
van Jacob en Jozef als slavenvolk behandeld. Dan roept God Mozes en stuurt
hem op pad om zijn volksgenoten, israëlieten, weg te halen uit Egypte.
Maar de Farao luistert niet naar Mozes en lacht om Gods boodschapper.
Na negen verschrikkelijke plagen moeten de israëlieten klaar staan
om op reis te gaan.
Het speelt zich af in de maand nissan (maart/april). Door Mozes krijgen
de Israëlieten instrukties om het vertrek uit Egypte voor te bereiden.
Elk gezin neemt, alleen of samen met de buren, op de 10e dag van de maand
nissan een gaaf, mannelijk, éénjarig stuks kleinvee, schaap
of geit, in huis. Het jonge dier wordt vier dagen gekoesterd en verzorgd
door elk gezin. Op de avond van de 14e nissan wordt het jonge dier geslacht.
Het bloed wordt verzameld en op de deurposten gestreken. De avond valt
en elk israëlisch gezin staat reisklaar en eet van het avondmaal(sederavond).
Midden in de nacht komt de Here om de tiende plaag uit te voeren. Elke
eerstgeborene, mens en dier, wordt geslagen met de dood. Maar aan de huizen
met bloed aan de deurpost gaat de engel van de dood voorbij.
Na deze verschikkelijke ramp mogen de Israëlieten eindelijk weg uit
Egypte. Ze nemen het ongegiste deeg mee en hun bakovens en al hun bezit.
Omdat iedereen reisklaar is vanaf de vorige avond, kan iedereen snel wegvluchten.
Op hun eerste rustplaats worden de ongerezen (of ongezuurde) koeken gebakken.
Naar deze geschiedenis, 3300 jaar geleden, verwijzen Pesach en het feest
van de ongezuurde broden.
|